JONATHAN KANE groeide op met Howlin’ Wolf op de platendraaier en speelde als jongeman samen met zijn broer in een plaatselijke bluesgroep. Een invloed die hij bleef dragen toen hij in zijn twintigerjaren mee aan de basis van het proto-industrialcombo Swans. Hoewel Kane de groep al snel verliet (hij drumt enkel op de vroege obscure releases en de eerste officiële Swansplaat “Filth”), is hij degene die de trage meeslepende drums in in de groep introduceerde en daardoor een onuitwisbare stempel naliet. Na Swans, bleef hij in New York Rondhangen om te werken met grootten als Rhys Chatham en La Monte Young. Nu, zoveel jaren later, versmelt hij zijn vroege liefde voor de blues met wat hij van zijn minimalistische meesters geleerd heeft. Met slechts een handvol akkoorden leidt hij zijn FEBRUARY-project, dat bestaat uit vier gitaristen, een bassist en Kane op drums, naar uitgesponnen, trance-achtige blueslicks.
Tracks on myspace

EKKEHARD EHLERS & JOSEPH SUCHY zijn goede vrienden met gemeenschappelijke muzikale passies en beiden grootheden in de Keulse avant-garde stroming. Ehlers liet al vele gezichten zien, gaande van Albert Ayler tributes en elektro-akoestische werken tot happy house. Voor zijn jongste plaat (en zevende op het Staubgoldlabel) “A life without fear”, koos hij resoluut voor een ode aan de Delta blues goden als Robert Johnson en Son House. Het resultaat is een van wiskey doordongen bluestrip van een dronende Suchy, bewerkt en/of aangelengd met Ehlers elektronicakunsten. Laptopblues? - alstublieft.

JOS STEEN is een vergeten blanke blueslegende uit eigen land. Met een stem die niet misstaat naast die van Muddy Waters en Howlin Wolf snijdt hij doorheen merg en been met zijn nummers over hedendaagse en universele onderwerpen. Tussen kitch en rauwe emotie, of waar de Mississippi Delta heel even lichtjes beschadigd wordt...

 

"Slavery and sharecropping are things of the past, although their shadow lingers; the brave new world, with blues falling everywhere, is where we live now"

(Gussow A., Journeyman's Road: Modern Blues Lives From Faulkner's Mississippi to Post-9/11 New York, University of Tennessee Press, 2007)

   
    De blues van de blanke man, in contrast met de oorspronkelijke blues van gekwelde blanke slaven, is een populair thema in de VS, zowel in de gangbare muziekpers als op academisch niveau. Globaal gezien is het debat verdeeld in twee kampen: puristen die vinden dat de blanken met hun fikken van het zwarte culturele erfgoed moeten blijven en een kamp (meestal meer de academische hoek) die het genre in de context van culturele uitwisseling plaatst. Sinds de jaren ’60, samen met de eerste bluesrevival, werd het thema uiterst populair bij muziekpublicisten. De discussie is dan ook onuitputbaar.

De Blues evolueerde uit de Afrikaanse spirituals en werkliederen, die door de Afro-Amerikanen in het begin van de twintigste eeuw oraal werden doorgegeven en versmolten met Amerikaanse folk en country van de Appalachen. Van daaruit groeide de stijl uit naar alle regio’s en met verschillende accenten, eerst puur akoestisch met voornamelijk gitaar en piano als belangrijkste instrumenten, later ging de blues elektrisch met Muddy Waters als een van de belangrijkste vernieuwers van het genre in de jaren ‘40. De blues blijft dus oorspronkelijk en onuitwisbaar erfgoed van de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Algemeen wordt William Christopher Handy als “The Father of the Blues” gezien. Het was deze man die de muziek van de rurale zwarten uit de zuiderse staten van copyrights voorzag en nieuwe muziek componeerde, waaronder de “Yellow Street Blues” (een herinterpretatie van een lied dat hij iemand hoorde spelen met een mes op zijn gitaar en een tekst over de spoorweg, in 1903) en “The St. Louis Blues”. De daaropvolgende decennia wordt de stijl superpopulair onder de zwarten. Veel artiesten die toen populariteit verwierven, zijn nog steeds legendarisch, soms zelfs mythisch, denk maar aan Robert Johnson, Charlie Patton, Blind Willie Mc Tell (En alle andere Blind Willies), Son House, Skip James... De lijst is eindeloos.

Bij de eerste major platenlabels die in de jaren ’20 de muziek begonnen registeren, was de opsplitsing tussen verschillende zuiderse muziekgenres evident. Men sprak van “white hillbilly music” of “old time music” voor de blanke muziek, “blues” was per definitie zwart. Al sinds die jaren ’20 begonnen de blanke ‘working class’ muzikanten de bluesstijl over te nemen. In praktijk vervaagde de opsplitsing wegens te artificieel en interraciale samenwerking werd al vlug een feit. Ook in de volksmond werd “blues” een verzamelnaam voor zowel de oorspronkelijke zwarte uitvinding als voor de overgenomen stijl door de blanken.

“At the field sessions where so many of these early records were made –in Atlanta, Dallas, Columbia, or Memphis- black and white musicians recorded on the same day, and rehearsed in the same studio. As early as 1927, white and black musicians were appearing together on record; white singers like Jimmie Rodgers and Jimmie Davis both both recorded with veteran black bluesmen”
(s.n., liner notes “v/a - White country blues”, Sony Music Entertainmentg Inc., 1993)
Op deze, van toepasselijke ondertitel voorziene “White country blues: 1926-1938 A lighter shade of blue of blue”, is het verschil met de oorspronkelijke blues toch duidelijk hoorbaar. Hoewel ook de blanke werker het soms zwaar had, smaakt deze muziek veel vaker naar entertainment. De onderdrukte, gekwelde geest valt niet te imiteren. Dat is juist ook het geluk van deze muziek. Ondanks de bluespatronen, probeert geen enkele artiest echt zwart te klinken. Het is “verblankte” blues op maat van de blanke werkende klasse die het niet naar zijn zin had.

Dat een blanke nooit écht de blues zal kunnen zingen, is bijgevolg een zinnig standpunt van de puristen. Dit is echter zo subjectief en moeilijk te bepalen, omdat de maatstaf meestal “lijden” is; de argumentatie: “Je moet geleden hebben als een zwarte om de blues te kunnen zingen”. Alles hangt af van wat er bedoeld wordt als het woord “blues” in de mond genomen wordt: gaat het om de pijn van een onderdrukt en vernederd volk en de daaruit voortvloeiende muziek, vol van diepere betekenissen, of gaat het om open speeltechniek van vaak drie akkoorden en twaalf bars, en een bepaald creatief ethos? Deze opsplitsing in acht genomen, kan iedereen de blues spelen, zingen en misschien zelfs dansen, maar enkel de Afro-Amerikaanse gemeenschap is de authentieke en rechtmatige eigenaar. De andere niet-Afro-Amerikaanse varianten en alles mengelingen hebben hun eigen wegen afgelegd, waardoor de blues in dit stadium een gezamenlijke evolutie is. Steeds meer is er binnen het muziekdebat een open houding over wat nu de echte blues is en wie er het recht heeft om de blues te zingen.

In zijn essay “Is or Ain’t Your Blues Like Mine? A brief Critical History of White Blues Literature” doet Adam Gussow, assistent professor English and Southern Studies aan de universiteit van Mississippi, drie mogelijke voorspellingen voor de toekomst van het bluesdebat. Waarvan de laatste, de meest interessante:

“In future theorizations of blues literature, the labels "black" and "white" will grow increasingly less useful as the range of new ethnic groups currently playing blues music in America and abroad begin to contribute novels, poems, plays, and memoirs. I've personally shared New York blues stages with Japanese, Chinese, Puerto Rican, Filipino, Senegalese, and Russian blues musicians... White blues literature may never recover from such a blow, although blues literature as a whole will benefit immeasurably.”
(Gussow A., Journeyman’s Road: Modern Blues Lives From Faulkner’s Mississippi to Post-9/11 New York, University of Tennessee Press, 2007)

De thema-avond New White Cotton Heads focust op deze evolutie met een allegaartje van ‘postmodern outlaw white blues cult’ en toetst zo de theorie aan de praktijk. Zielenpijn is van alle tijden en alle kleuren en de invulling is zo vrij als men zelf beslist.