Japan is al jarenlang een belangrijk land als het gaat om experimentele, avontuurlijke muziek. Vooral de laatste decennia was bijna alles wat uit Japan kwam en psychedelisch en/of improv was een klapper in de underground.
Japan is het enige Oosterse land dat zo vroeg en zo gemakkelijk westerse invloeden in hun cultuur toeliet. Dat zorgt tot op de dag van vandaag voor een heel boeiende variant op alles wat met underground popmuziek te maken heeft. Al van sinds midden jaren ’60, toen groepen als The Beatles en The Rolling Stones de hele wereld onveilig maakten, ontstond er in het land een boeiende psychedelische scene. Dat kwam vooral door de groep The Ventures, die rond die tijd in Japan toerde en populairder werd dan the Beatles en the Stones samen. De instrumentale beatgroep zorgde voor een creatieve boost van een eerste generatie ‘The-groepen’. De bekendste zijn ongetwijfeld The Mops en The Golden Cups, beiden psychedelische teen beat bands die qua stijl dwaalden tussen de voorgenoemden.
Het was pas rond de verschijning van legendarische groepen als Les Ralizzes Denudes, Taj Mahal Travellers en verschillende formaties rond de figuur Keiji Haino dat de zware psychedelica echt begon te ontluiken. Hier moet opgemerkt worden dat de invloed van free improv heel belangrijk was. Figuren als Albert Ayler waren van even groot belang als de toppers uit de Amerikaanse en Europese psychedelica en al haar experimentele substromingen. Voor Haino is deze bijzondere benadering van rockmuziek zelfs essentieel. In een interview met Alan Cummings voor The Wire in 2002 zegt Haino: “I am probably trying to do the things that Jim Morrison, Jimi Hendrix, Marc Bolan couldn’t do. The reason why rock music today is worthless is because it’s only trying to do the possible. But i believe rock means the impossible, the incomplete." (The Wire, Cummings, 2002)
Hoewel geschoeid op de westerse muziek, is het moeilijk om het universum van de Japanse psychedelische rock te vatten volgens westerse standaarden. Vanaf de simpele invloed die er door de aanwezigheid van de Amerikaanse bezettingstroepen insijpelde in de late jaren vijftig, sloeg de experimentele Japanse scene een weg in die de natuurlijke verweving van de culturen, als een nieuwe eigenheid ging beschouwen. Een van de karakteristieken die belangrijk waren in de ontwikkeling van de zijstromingen is het ruwe, het ongepolijste. Zowel in de algemene benadering alsook in techniek en geluid. Als de muziek dan al in een melodische of meer poppy richting gestuurd wordt, zorgt de Japanse artiest er meestal voor dat er ergens een flinke deuk inzit. Dit komt vaak doordat de muziek zich heel erg focust op het expressieve, soms zelfs naar het pathetische toe.
Vanaf de late jaren zeventig krijgt de psychedelische underground in Japan een nieuwe boost, mede door de persoon Hideo Ikeezumi. In 1980 startte Ikeezumi de platenwinkel Modern Music in Tokio dat in 1985 voortvloeide in het label P.S.F.
Het label werd al snel vrij belangrijk in zijn niche. Het was dan ook een van de eerste labels die vernieuwende artiesten een vaste thuisbasis kon bieden. Fushitsusha, Lost Araaf, High Rise, White Heaven, Ghost, Acid Mothers Temple,... elke enigszins belangrijke groep of artiest in Japan is opgenomen in de bijna tweehonderd releases tellende P.S.F. cataloog, zij het als nieuwe release of als reissue. Dat de jaren tachtig voor de Japanse psychedelische underground even belangrijk waren als de jaren zestig en zeventig verwoordt Ikeezumi mooi in een interview met Jimmy Dee voor Ongakuweb: “There were the Beatles, about whom there was nothing at all of interest. Then in the opposite direction there’s punk or psych or garage and the like, which was really interesting... In the second half of the sixties Japan was the only place where there was nothing happening... (laughter) Rock wasn’t deeply rooted in the sixties. Twenty years later, in the eighties it has taken root.” (Ongakuweb, Dee, s.d.)
Ook in het outsider folklandschap heeft het label zijn steentje bijgedragen. Naast het bekendere Ghost zijn de spilfiguren Kazuki Tomokawa en Kan Mikami doorheen de hele cataloog vertegenwoordigd. Ook deze artiesten hebben hun artistieke wortels in de jaren zestig. Ze groeiden op temidden van de protestmarsen, met een drang naar vrijheid, en schreven hun eerste teksten (bij Tomokawa eerst puur als poëzie) zwaar beïnvloed door de toenmalige maatschappelijke tendensen in het land. De overgewaaide folkbeweging droeg in Japan veel minder de sociaal dissonante eigenschappen dan de westerse, en was meestal geïnspireerd op het romantische, het naïve en het pseudo-idealistische. Tomokawa en Mikami waren degenen die deze traditie vermengden met maatschappelijke kritiek en confronterende beeldspraak. Mikami, die uit de anarchistische cabaretscene kwam, schuwde niets in zijn songteksten. Dat ging van publiekelijke aanvallen om zijn misnoegen te uiten over het Japans bestuurlijk apparaat tot donkere onderwerpen zoals massamoord en directe obscene beelden als menstruatiebloed en masturbatie. Door de een werd dat specifieke lyrisme al wat meer gewaardeerd dan door de ander en dat zorgde zo nu en dan voor lichte controverse. Ondanks dat bouwen deze artiesten al meer dan dertig jaar voort op hetzelfde elan, zonder echter te vervallen in eindeloze herhaling. Nu nog steeds, als de ouder wordende protestgeneratie en Oosterse avant-garde, maken zij hun invloed kenbaar. Niet in het minst door hun memorabele live concerten. |