Nederlands | English

 

< Overview

GHEDALIA TAZARTES

JAN OPDEBEECK

 
 
De Franse componist Ghédalia Tazartès maakt fascinerende, gelaagde cut & paste-composities in een eclectisch vocabularium, en heeft een bijzondere belangstelling voor de menselijke stem. Hij speelt op het Pauze-festival.

De menselijke stem: spreken, zingen. ‘Ronnie sings?’ had het al, achteraf bekeken, de klank, het ritme, de eigenwijze frasering; een zeer vroeg Zappa-nummer (’61, The Lost Epidodes), waarin over een ritmisch gitaartje die Ronnie iets doet tussen boeren, scatten, en brallen. Het is om te lachen, natuurlijk, net zoals Ghédalia Tazartès’ ‘premier mouvement’ geen beleefde ernst is: een repetitieve rockstomper, en een stem die geen woorden vormt, maar de zinledige klanken van min of meer telkens dezelfde clichémelodie. Het langdradige, repetitieve en geloopte stuk kan enerzijds een parodie en een kritiek zijn op saaie, inhoudsloze rock, anderzijds kan je de traditionele inleving en expressie van rock laten varen en je focussen op de specifieke klank, het ritme,.. die op de voorgrond treden wanneer, in dit geval, de elementen herhaald worden. Herhaling is een beproefd recept om betekenis en anekdotiek (‘wat hoor ik?’) te doen vergeten en de aandacht te verschuiven naar bijvoorbeeld de klank zelf, denk maar aan Tristan Tzara’s ‘hurle hurle hurle hurle’ (tig keer, 1919), een herhaling die het klank- en woordbeeld naar de oppervlakte doet wellen.

In zijn vaak van herhaling en variatie gebruik makende composities exploreert Tazartès onder andere de muzikaliteit van de menselijke stem, niet in het minst die van de alledaagse spreektaal. Het is geen toeval dat Tzara gefascineerd moet zijn geweest door de aanvankelijk onbegrijpelijke en dus voor hem klankrijke Afrikaanse en Oceanische poëzie, en ook Tazartès verweeft geregeld niet-Westerse fraseringen, intonaties, manieren van aanblazen en aanhouden, melodieën, en klankclusters in zijn muziek. Hier en daar hoor je begrijpelijke (meestal Franse) zinnen en woorden, maar meestal zingt Tazartès in een taal die hij zelf heeft verzonnen (The Wire #295), en die zoals gezegd invloeden verwerkt van onder andere Azië, het Midden Oosten, en Zuid-Europa.

Tazartès muziek put uit de meest uiteenlopende tradities. Op een plaat als de theater-soundtrack Jeanne (2007) kan je vaak een zeker uitgangspunt aanduiden: bij uitstek expressieve genres als rockmuziek (‘premier mouvement’), opera, singer-songwriter, een volksliedje, maar ook loungy drum ‘n’ bass, en sferische abstractie. Vooral de stem blijft allerminst genrevast: ze gromt, trilt, blijft hangen, slaat uit, murmelt, schuift heen en weer tussen spreken en zingen, blijft onbestemde klanken uitstoten en variëren. Soms blijven de woorden intact, op andere momenten lost de gangbare semantiek op in klank. Opvallend hier is hoe de produktie in de lijn ligt van de respectievelijke genres, wat hier en daar een bewust schel/galmend/pseudo-radiovriendelijk/recht voor de raaps geluid oplevert. Tussen haakjes: de idee van de muzikaliteit van de spraak doet onmiskenbaar denken aan ‘The Letter’ (1943) van Harry Partch, waarin hij met nadrukkelijke intonaties en begeleid en afgewisseld door muziek een brief voorleest van een vriend die net uit de gevangenis is. Partch’ lezing zit tussen spreken en zingen, en hij maakt wel uitgesproken gebruik van de tragi-komische inhoud van de brief.

In het knappe Voyage à l’Ombre (1997) gaat Tazartès meer geïntegreerd te werk. Meestal worden meerdere stemmen naast elkaar geplaatst, waarbij een stem of stemmengroep vaak een melodie herhaalt of erop varieert, of geloopt wordt, of waarbij een van de stemmen een spreekstem is/was – of lang en luid zingerig lacht. Soms zijn er poëtische teksten, of wordt een woord gevarieerd op alledaagse intonaties, maar meestal verliezen spraak, zang, en muziek als het ware hun identiteit en worden ingezet in de abstracte meerstemmige compositie. Dat wordt aangescherpt door de vaak elektronische muziek, waarbij zelfs een volksritme kan geëchood worden in een repetitief synthesizerpatroon, door de gelaagde produktie, en de (lichte) elektronische manipulatie van de stemmen.

De cut & paste-esthetiek, de combinatie van elektronica en al dan niet vervormde ‘gevonden geluiden’, de fascinatie voor de stem en de spreektaal, de geluidsmanipulatie, het gebruik van herhaling en loops – het is allemaal al inventief uitgewerkt op Tazartès vroege Transports (1980). Transports is een intense en dense montage van industriële geluiden over geknipte en gemanipuleerde stemmen tot een waaier aan elektronica. Hoezeer je Tazartès’ muziek ook kan benaderen vanuit een louter modernistisch perspectief, als een vormonderzoek zeg maar, toch ontsnap je nooit aan de gevoelswaarde van zijn werk. Het eerste nummer van Transports, vormelijk erg verschillend van de rest, zet al de toon: een tweestemmig pianostuk in mineur, waarbij een eerste motief zich herhaalt, en waartegen een tweede melodie zich opkringelt, haperend, stotterend, als het ware struikelend over zichzelf. Transports is een donkere, gejaagde, misschien zelfs een sociale werkelijkheid enscenerende plaat, wat wellicht wordt opgeroepen door de (zoekende, agressieve, zuchtende,...) manier van spreken en zingen, en de diversiteit aan contexten (die een sociale lading krijgen) en manipulaties. Daarnaast zijn er de verwrongen geluiden (die vaak wegsterven, dichtgeknepen, overstemd worden – en de momenten waarop), en de verrassende produktie met vaak brute inbreuken op wat er eerder gaande was. Tenslotte maakt hij gebruik van niet-evidente juxtaposities, bv. alledaagse stemmen en een stijgende, ijle elektronische toon, of geloopte kerkklokken, verknipt en gemanipuleerd kindergezang, en een Arabische blaasinstrument met een mechanisch industrieel ritme en een gefluit aan zoemende elektronica.

Tazartès is autodidact, en had op het moment van zijn debuut-lp, Diaspora (1977), naar eigen zeggen nog geen avant-garde gehoord. In The Wire verklaarde hij: “My music is like human nature, which is paradoxical.” En ook: “if somebody falls over, you laugh. But he has to fall over for real. If he’s pretending to fall over, nobody laughs. When it’s completely serious, then it’s funny.” Alle composities van Tazartès kan je inderdaad beschouwen als paradoxaal en open, ontheemd. De sterkste zijn naar mijn smaak diegenen die ook op vormelijk vlak (compositie, klank) geen centrum hebben, en daardoor des te meer ongrijpbaar en fascinerend blijven.