| |
“Noise, and the music that comes from an engagement with it, tests commonplace notions of hearing and listening, and tries to destabilize not just our expectations of content or artistic form, but how we relate to those, to the point where the most interesting point of encounter might be a loss of controlled listening, a failure of adequate hearing, even if this is only temporary.” (Paul Hegarty, “Noise/Music, a History” 2007)
Noise, als muzikaal en soms genrebeduidend equivalent van wat doorsnee “lawaai” of “herrie” genoemd wordt, heeft naast een serieuze musicologische geschiedenis ook een hechte luistergroep, zoals elk ander “genre”, en is nog steeds aan evolutie en nieuwe creatieve impulsen onderhevig. In zijn debuutfilm “People who do Noise” laat de jonge documentairemaker Adam Cornelius zien wat dat vage begrip nu eigenlijk betekent. Hij filmt in verschillende settings een veertiental noise-gerelateerde artiesten uit de experimentele scène in Portland, Oregon. Op puur muzikaal vlak werpt hij zo een blik op de verschillende varianten. Aan de hand van interviews, brengt hij echter ook de verschillende motivaties achter de muziek in beeld, en dit is juist waarom zijn documentaire zo verhelderend is, ook voor muziekliefhebbers die van het hele noisegebeuren geen kaas gegeten hebben. De prent mag dan wel over een groep artiesten in Portland gaan, het werpt veel breder een blik op de fascinatie van muzikanten voor iets wat, wars van alle romantische ideeën over muziek, de basis uitmaakt van hun muzikantenbestaan: lelijk, irritant, gedeconstrueerd en verscheurend geluid.
Dat noise minder dan andere stijlstromingen in de muziekgeschiedenis als een volwaardig genre beschouwt wordt, heeft verschillende redenen. Een ervan is dat “noise” altijd in een negatieve relatie gezien wordt. Noise wordt altijd gedefinieerd aan de hand van wat het niet is: geen aangenaam geluid, geluid zonder betekenis, geen muziek etc. Noise is hetgeen niet gewild is, of toch zeker hetgeen niet verwacht wordt. Natuurlijk is het daarbij onderhevig aan subjectieve gradaties. Daardoor is “noise” als muzikaal begrip een veel breder gegeven dan de genres die ermee aangeduid worden. Het gaat in de documentaire echter over de muziek die ontstaat als het muzikale begrip en het doel van de componist/muzikant samenvallen, dus wanneer het uitgangspunt voor de muziek in het negatieve gezocht wordt.
Een hinderpaal op weg naar de appreciatie van het genre is muziek kunnen interpreteren als een spel van concrete geluiden in plaats van een noodzakelijke symbiose van melodie en ritme. Die moeilijkheid blijkt niet alleen uit de obscuriteit van de verschillende hedendaagse subculturen rond “noise”, maar ook uit het taboe dat nog rust op deze manier van muziek maken eens ze niet meer gecombineerd wordt met meer traditionele muzikale structuren zoals in rock of jazz. Of als ze niet geplaatst kan worden in een (muziek)historisch kader zoals die van de historische avant-garde, musique concrète, fluxus, etc. Nochtans is er een hele generatie jonge muzikanten die de grenzen blijft aftasten van muzikale ideeën die in het begin van de twintigste eeuw uitgezet werden, in de jaren ’70 werden geradicaliseerd en sinds pakweg de jaren ’90 volledig werden opengebroken.
Er ligt een hele evolutie besloten tussen het pionierswerk van de futuristische schilder-componist Luigi Rosolo en hedendaagse populaire noise-artiesten als bvb.Yellow Swans, Daniel Menche of Hototogisu. Al in 1913 schreef Russolo in zijn manifest “The Art of Noise”:“Ancient life was all silence. In the 19th century, with the invention of machines, Noise was born... by selecting, coordinating, and controlling all the noises, we will enrich mankind with a new unsuspected pleasure of the senses”. Het was een traktaat dat het einde van de conventionele westerse muziek declameerde en ijverde voor een nieuwe muziek die gebaseerd was op het kraken, het piepen, zoemen en ruisen van machines. Een radicaal statement dat zowel rechtstreeks als impliciet invloed gehad heeft op een hele traditie geluidsexperimentatoren. Zonder in dergelijke historische details te vervallen, geeft Cornelius aan dat er geen enkele reden is om vandaag de dag “noise” als genrebepalend element minder serieus te nemen. Net zoals eender welke stijl gaat het gepaard met makkelijk en minder makkelijk verteerbare varianten. Denk maar aan populaire bands als Sonic Youth of Einstuerzende Neubauten, die niet enkel atonaliteit, maar ook zaken als feedback en industriële geluiden in een populair format integreerden en zo het begrip “noise” voor veel luisteraars een aanvaardbaar, maar ook veel mildere connotatie gaven. In het brede spectrum van alles dat dezer dagen als “noise” bestempeld wordt, is het juist interessant te zien dat veel noise-artiesten evenveel inspiratie putten uit de klassieke pioniers als uit de latere populaire cultuur. We zien in “People Who Do Noise” helemaal geen extremistische anti-muzikanten, geen verwende kunststudenten of suicidale misantropen, maar veeleer een allegaartje van verschillende, open en vrije muzikanten die de grenzen opzoeken en in hun woonkamer ook gewoon naar Fleetwood Mac kunnen luisteren. Dat veel van de extremer georiënteerde noisemuzikanten in een eigen vacuüm blijven opereren heeft veel te maken met een wat gesloten houding die wellicht eigen is aan elke subcultuur, maar ook een natuurlijk beschermingsmechanisme vormt tegen onbegrip. Een onbegrip dat enkel kan doorbroken worden door zo open mogelijk aan de buitenwereld te laten zien waar het juist om draait.
Dat is juist wat “People Who Do Noise” doet. De verhalen van alle artiesten hebben wel raakvlakken, maar verschillen anderzijds onderling zo dat het duidelijk wordt dat de term niet enkel een vlag is die vele ladingen dekt, maar misschien zelfs een non-begrip geworden is, een verzamelnaam voor alle artiesten die vetrekken vanuit een besef van puur geluid. Dat het uiteindelijke resultaat bij een band als Smegma daarbij zoveel verschilt van een jonge artiest als bijvoorbeeld Sisprum Vish (beiden duiken op in de documentaire), is daar niet enkel een bewijs voor. Het is ook een bewijs voor het feit dat het begrip pas te vatten is eens je er ook die brede kijk op krijgt. Smegma is een groep die mee aan de basis stond van de L.A. Free Music Society (LAFMS), een bastion van experimenterende muzikanten die sinds de eerste helft van de jaren ’70 een belangrijke invloed gehad hebben op heel wat muzikanten met een vrije, spontane en avontuurlijke manier van musiceren. Sisprum Vish is een jonge snaak met een hoop opengeschroefde en kortsluitende elektronische troep die graag luide, fysieke muziek maakt. Op een punt in de documentaire, waarin Cornelius naar het belang van humor en relativeringsvermogen in hun muziek polst, lijken deze artiesten, hoewel ze met een heel andere benadering van het noise-aspect omgaan, op precies dezelfde golflengte te zitten. Hoewel hun muziek op het eerste gehoor voor allebei vrij ontoegankelijk is, bewijzen ze zich open persoonlijkheden met open houding naar de luisteraar toe. “You know, and if you don’t like it, there’s plenty of other music on the radio”, voegt een baardig wezen van de Smegma-clan daar nog aan toe.
Noise lijkt de grote rollercoaster van de muziek. Een angst die je moet overwinnen om tot extase te komen. Of ook gewoon een oude stinkende hond waarvan je gaat houden. Cornelius lijkt dit als geen ander te begrijpen. Hij wil ook helemaal niemand overtuigen, maar gewoon het feit dat hij de muzikanten laat zien in een perspectief, schept hoop voor de toekomst. Als de noisers de wereld zullen overheersen en alles bestaat uit een dikke, lelijke geluidsbrij... |